 |


De oprichtingsakte van het Prins Bernhard
Fonds Nederlandse Antillen werd op 7 augustus
1953 ondertekend. Hieronder volgt een fragment
uit de rede van de prins tijdens de oprichting.
“Excellentie, Bestuursleden van het
Prins Bernhard Fonds Nederlandse Antillen,
Dames en Heren,
Het is in de cultuur een bekend verschijnsel,
dat een bepaald cultuurbezit door de ene
gemeenschap van de andere wordt overgenomen.
De vreemde naam duidt dit dan veelal aan.
Het kan ook gebeuren dat iets wat van elders
schijnt te komen niets nieuws is, maar alleen
langs een omweg naar het uitgangspunt blijkt
te zijn teruggekeerd. De reden voor ons
samenzijn hier heeft met een soortgelijke
omweg te maken.
Het Prins Bernhard Fonds immers vond zijn
oorsprong hier op Curaçao. Het is
dezer dagen juist dertien jaar geleden,
dat het personeel van de olieraffinaderij
van de “Koninklijke” onder leiding
van de toenmalige directeur, de heer J.M.
Booy, het initiatief nam tot vorming van
een fonds ter vergroting van ons aandeel
in de geallieerde oorlogsvoering. En al
werd dit Fonds om praktische redenen in
Londen gevestigd, Curaçao komt de
eer toe het Prins Bernhard Fonds in het
leven te hebben geroepen.
Het Prins Bernhard Fonds is dus nu tot
zijn geestelijke geboortegrond teruggekeerd.
Maar het is inmiddels wezenlijk in zijn
aard veranderd. Natuurlijk, het Fonds houdt
het prachtige initiatief van Curaçao
en zijn traditie van verantwoordelijkheid
voor een solidariteit met de nationale zaak
vast, maar er is aan toegevoegd het embleem
van de witte anjer, de herinnering aan dezelfde
verantwoordelijkheid en solidariteit die
in bezet Nederland op mijn verjaardag in
1940 werden gedemonstreerd in de bekende
anjeractie in tal van plaatsen.
Het Prins Bernhard Fonds in zijn huidige
vorm is dan ook een unieke samenvloeiing
van in wezen gelijke zaken, die op eigen
wijze vorm kregen, in bezet Nederland en
in de vrije gebieden daarbuiten. Terecht
is dan ook in de vernieuwde stichtingsakte
van het Prins Bernhard Fonds Nederland deze
voortzetting tot uitdrukking gebracht; even
terecht en met een diepe bedoeling wordt
in deze stichtingsakte gesproken van ‘geestelijke
weerbaarheid’.
Immers, de strijd van het jongste verleden
is evenals die van het heden in wezen een
geestelijke strijd. En het is de bedoeling
van het Prins Bernhard Fonds toen en nu,
de krachten van de vrije mens naar vermogen
te schragen. Het stemt mij en het bestuur
van het Prins Bernhard Fonds Nederland tot
grote voldoening, dat ook Gij deze gedachte
in de stichtingsakte hebt willen opnemen.
Met de verwijzing voorts naar het huidige
werk van het Prins Bernhard Fonds Nederland
hebt Gij, wellicht onbewust, tevens de keten
gesloten, waarvan de eerste schakel op Uw
gebied werd gesmeed.
Het zal U na het voorgaande niet verwonderen,
dat wij in Nederland al eens eerder de mogelijkheid
van het stichten of liever heroprichten
van een Prins Bernhard Fonds Nederlandse
Antillen overwogen hebben. Het zou echter
niet juist zijn geweest, indien een initiatief
hiertoe van ons zou zijn uitgegaan; zulk
een gedachte dient uit de streek zelf te
komen. En dat Gij tot prachtige eigen initiatieven
in staat zijt, behoeft hier niet gesteld
te worden. Uw ‘Comité tot bevordering
van de wetenschap’ met zijn reeds
mooie staat van dienst werkte al in de richting
van het Prins Bernhard Fonds; dit geslaagde
initiatief wordt nu dus verder uitgebouwd.
U zult begrijpen, dat wij onzerzijds onmiddellijk
toetastten, toen in de persoon van Uw algemeen
secretaris, de heer Hermans, het initiatief
tot ons kwam. Dat de persoonlijke kennismaking
van de heer Hermans met het werk van ons
Fonds in Nederland de beslissende stoot
tot de kristallisatie van uw idee was, verheugt
ons bijzonder, omdat hiermede overtuigend
bewezen is hoe in vrije wisselwerking de
zaak tot stand kwam.
Dat Gij, leden van het bestuur, met aan
hoofd Zijne Excellentie de Gouverneur zo
snel de gedachte in een daad omzette, dat
ik nog op mijn verjaardag van Uw principieel
besluit kennis kon krijgen, heeft mij bijzonder
getroffen. Voor dit verjaardagsgeschenk
ben ik Uw zeer dankbaar. Ik ben verheugd,
dat ik van mijn kant nu iets terug kan doen.
Daar is ten eerste de grote zending prachtige
anjers, die de Nederlandse kwekers mij gratis
voor deze bijzondere gelegenheid ter beschikking
hebben willen stellen. Dankzij dit genereuze
aanbod en mede dankzij de grote medewerking
van de KLM is U in staat Uw eerste actie
te starten. Dan kan ik U mededelen dat de
tienduizend fotokaarten U geschonken zijn
door ons bestuur in Nederland. En tenslotte,
dat een bedrag van rond f. 1500 Ned. CRT.,
het vorige jaar op Curaçao ter gelegenheid
van mijn verjaardag bijeengebracht, door
het bestuur in Nederland weer ter beschikking
is gesteld van Uw Fonds. Nu zou ik mijn
taak niet goed verstaan indien ik het bij
deze woorden liet, Uw college als geïnstalleerd
verklaarde en U verder mijn goede wensen
en die van het bestuur in Nederland op Uw
weg meegaf. Want wat hebt Gij op u genomen!
Gij hebt – om het in zakelijke termen
te zeggen – op U genomen een wezenlijke
bijdrage te leveren in het vak van de particuliere
cultuurfinanciering.”
   
|
 |